Muhammad Kabir, Zarifa en hun drie kindjes

  • vlnr Muhammad Kabir, Zarifa met jongste zoontje, Zeinab en Idress  © Pieter Stockmans
  • Samen gevlucht, elkaar onderweg kwijtgeraakt en pas in België herenigd  © Pieter Stockmans

‘Overal opgejaagd’ 

Een zwangere vrouw en een man, met een dochtertje van zes en een zoontje van acht. Te voet over bergen, in smokkelbootjes over rivieren en zeeën, onderweg elkaar kwijtgeraakt, geslapen in Griekse en Belgische parken, geslagen door Griekse fascisten en politie. Om uiteindelijk in België te worden afgewezen omdat ze een ‘intern vluchtalternatief’ in Afghanistan hebben. Voor ze naar Europa vluchtten, leefden ze immers een half jaar ondergedoken in de hoofdstad Kaboel. Het bezette gebouw in de Troonstraat was hun laatste hoop. Maar ook daar vonden ze politie in plaats van erkenning en begrip.

Hoe was je leven in Afghanistan?

Muhammad: ‘Toen ze jong was, werd mijn vrouw beloofd aan iemand van de taliban, maar ze trouwde met mij. Zijn familie zocht ons. We moesten Ghazni verlaten en onderduiken in Kaboel, twee jaar geleden. Zeven maanden bleven we binnen, als in een gevangenis. We konden niet eens naar buiten om boodschappen te doen. Mijn schoonvader kwam één keer per maand een voedselvoorraad brengen. Maar de taliban vond ons. Nog één nacht doken we onder bij mijn schoonvader. En dan moesten we smokkelaars betalen om uit Afghanistan te vluchten.’

Kan je iets vertellen over je vluchtroute naar België?

Muhammad: ‘We trokken te voet over de bergen. De rivier tussen Turkije en Griekenland staken we over met twintig in een bootje voor vijf. Er zijn mensen die daar hun kind, man of vrouw zien verdrinken en gewoon verdergaan. De VN-vluchtelingenorganisatie UNHCR weet hoeveel mensen daar elk jaar sterven. De oversteek van Griekenland naar Italië was pas echt een nachtmerrie. De smokkelaar zei dat vrouwen en kinderen eerst de boot op moesten. Mijn vrouw en dochtertje Zeinab waren al opgestapt toen plots de Griekse politie kwam en de boot vertrok. Ik bleef achter met ons zoontje Idress.’

Zarifa: ‘Ik sloeg in paniek. De smokkelaar zei dat ik moest zwijgen en dat Muhammad en Idress achteraan op de boot zaten. Maar toen we aankwamen, zag ik ze niet. De smokkelaar bleef me blaasjes wijsmaken. “Ze komen met een andere boot”, zei hij. We hadden geen tijd om ons slecht te voelen, want we werden onmiddellijk in een busje gestopt.’

Muhammad: ‘De achterblijvers werden gearresteerd. Ik zat bijna een maand met Idress in een gevangenis in Griekenland. De hele tijd piekerde ik over mijn vrouw en dochtertje. Waren ze levend en wel aangekomen? De Griekse politie had mijn gsm-toestel afgepakt. Pas toen de Griekse politie ons vrijliet en ik haar onmiddellijk opbelde, wist ik dat ze in België was aangekomen. Een jaar lang overleefde ik met Idress in parken in Athene. Een religieuze organisatie bracht ons ’s ochtends en ’s avonds eten. Op een dag, om 11 uur ‘s avonds in het Victoriapark, vielen fascisten ons aan. Ze kwamen met motors, Griekse vlaggen en stokken. Ze sloegen op mijn hoofd en handen. Op dat moment wilde ik het liefst doodgaan. Ik dacht: “Als we in Europa door fascisten vervolgd worden, waarom klaag ik dan eigenlijk over de taliban?” De politie keek toe. Pas wanneer de bende weg was, belden ze een ziekenwagen.’ 

Hoe is je asielprocedure in België verlopen?

Zarifa: ‘Ik kwam alleen met Zeinab in Brussel aan. Het Commissariaat-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen was net gesloten. Ik probeerde het uit te leggen aan een politieagent, maar ik sprak de taal niet en de agent keek me vreemd aan. Hij negeerde me. We moesten in een park slapen en ik was zes maanden zwanger. De volgende ochtend vroeg ik asiel aan en kregen we opvang in Kapellen.’


Muhammad: ‘Pas een jaar later hebben we elkaar terug gevonden. Mijn vrouw had haar Belgisch verblijfsdocument naar de Greek Refugee Council (de Griekse tegenhanger van Vluchtelingenwerk Vlaanderen, nvdr) doorgefaxt. Maar het vliegtuigticket moest ik zelf betalen, 375 euro. Ik verzamelde dat bedrag door met mijn zoon op straat spullen te verkopen. Misschien klinkt het niet geloofwaardig, maar als je in nood bent, dan doe je zulke dingen. Bij ons weerzien in de luchthaven van Zaventem bleef Zeinab een half uur lang in mijn armen en Idress in de armen van mijn vrouw. Voor het eerst zag ik toen ook mijn pasgeboren zoon, hij was al een jaar oud. De politie in de luchthaven begon zelf te huilen toen ze ons verhaal hoorden.’

Zarifa: ‘En dan kregen we een negatieve asielbeslissing. België gaf nochtans subsidiaire bescherming aan Afghanen uit Ghazni, maar wij hadden een “intern vluchtalternatief” omdat we eerst zes maanden ondergedoken hadden geleefd in Kaboel.’

Muhammad: ‘Het was een schok om te zien hoe België die zes maanden, toen we als gevangenen in Kaboel leefden, tegen ons gebruikte. Volgens het Commissariaat-generaal moeten we blijven vluchten binnen Afghanistan, naar telkens een andere plek. Moet ik dan heel mijn leven vluchten? Hebben wij dan geen recht op vrije tijd, vakantie, stabiliteit en onderwijs voor onze kinderen?’

Wat zijn je ervaringen met België?

Muhammad: ‘In Afghanistan zijn de regels van de taliban duidelijk. Je weet wanneer ze je doodschieten. Maar in België snijden ze je keel over met een zijden draad. We wachten nog op een definitief antwoord op onze asielaanvraag. Maar toch deden we mee met de bezettingsactie in het gebouw in de Troonstraat. Onze sociaal assistent had gezegd dat we bij een negatieve asielbeslissing binnen drie dagen onze woning zouden moeten verlaten en dat wilde ik vermijden. We zijn ook mee gaan betogen in de Wetstraat. Ik zag politieagenten op het ritme van onze slogans dansen, om ons belachelijk te maken en te provoceren. We hadden de kinderen vooraan laten plaatsnemen om te tonen dat we vreedzaam zijn. Maar een paar jongeren begon tegen de prikkeldraad te schoppen en onmiddellijk schoot de politie met traangas.’

Zarifa: ‘Ik raakte Muhammad en de kinderen kwijt. Ik zag politie met stokken. En dan kreeg ik traangas in mijn gezicht.’

Muhammad: ‘Ze is twee uur bewusteloos geweest, mijn drie kinderen zaten op de straatstenen.’

Zarifa: ‘Tijdens de ontruiming van het gebouw in de Troonstraat kwamen drie politieagenten onze kamer binnen. Ze richten hun spuitbus met pepperspray zelfs in het gezicht van mijn kinderen. We kregen een kwartier om het gebouw te verlaten. Anders zouden ze dwang gebruiken. Ze gaven me zelfs niet de tijd om de schoenen van mijn zoontje te halen, en Zeinab naar het toilet te laten gaan. Vraag maar aan Idress hoe hij zich voelde, want hij kent politiegeweld uit Griekenland. Hij is getraumatiseerd. ‘ s Nachts kauwt hij op zijn tanden door stress en nare dromen. Telkens hij politie ziet, gaat hij schreeuwen. Nooit hadden we gedacht ook in België met de politie in aanraking te komen.’

Idress: ‘Toen de politie kwam, moest ik huilen. Mama nam haar valies en probeerde mijn schoenen te pakken, maar politie riep “Go, go, go”, zoals ze tegen dieren zouden zeggen.’

Verhaal opgetekend door Pieter Stockmans, beleidsmedewerker van Vluchtelingenwerk
oktober 2013 

Wat is een ‘intern vluchtalternatief’?

Asielinstanties spreken van een intern vluchtalternatief als zij vinden dat een asielzoeker misschien niet naar zijn oorspronkelijke woonplaats terug kan, maar wel een veilig onderkomen kan vinden op een andere plaats in het thuisland. In dat geval zou die asielzoeker geen nood hebben aan bescherming in België. De VN-vluchtelingenorganisatie, UNHCR werkte richtlijnen uit over hoe asielinstanties dit concept moeten toepassen. Om te weten of er een intern vluchtalternatief bestaat, moeten de asielinstanties nagaan:
 - Of die andere plaats in het herkomstland praktisch en op een veilige manier bereikbaar is;
 - Of het zeker is dat de asielzoeker daar effectief niet vervolgd zal worden;
 - Of het redelijk is om te verwachten dat de asielzoeker zich daar zal kunnen vestigen.

Om dit laatste te bepalen, moeten de asielinstanties nagaan of de asielzoeker daar een normaal leven kan leiden. De asielinstanties moeten rekening houden met de persoonlijke situatie en het profiel van de asielzoeker, zoals leeftijd, geslacht, gezondheid, familiebanden en etnische of culturele banden, om te bepalen of een intern vluchtalternatief al dan niet bestaat.

Wat Afghanistan betreft: volgens UNCHR is het niet omdat de asielzoeker familiebanden of etnische en culturele banden heeft in een bepaald gebied, dat er daar een intern vluchtalternatief zou bestaan. Asielinstanties moeten namelijk ook nagaan of de familie of etnische groep ook bereid en in staat is om de asielzoeker effectief te ondersteunen. Als dat niet zo is, kan er voor UNCHR geen sprake zijn van een intern vluchtalternatief in Afghanistan. Een uitzondering zijn de gezonde mannen en de getrouwde koppels van werkleeftijd. Volgens UNHCR kunnen zij zich soms wel redden in stedelijke of semi-stedelijke context.

Probleem: de asielinstanties verwachten in sommige gevallen dat de asielzoeker bewijst dat hij geen intern vluchtalternatief heeft in zijn land. Nochtans is het aan de asielinstanties om te bewijzen dat er wel een intern vluchtalternatief bestaat. Ook brengen de asielinstanties niet altijd de persoonlijke omstandigheden van de asielzoeker in rekening en wordt het concept “familiebanden” soms te ruim geïnterpreteerd. Contacten hebben met familie in een heel ander deel van het land waar de asielzoeker al 20 jaar niet meer woont, bijvoorbeeld, betekent niet noodzakelijk dat je daar een vluchtalternatief hebt. Deze problematiek behandelden we in ons rapport “60 jaar Vluchtelingenverdrag”.

Afghaans vluchtelingengezin Nahimi: boodschap aan België