Nieuws

Analyse beleidsbrief integratie 2018-2019

'Proeftuinen zijn sterke bouwstenen, maar geen fundament voor een integratiebeleid dat staat als een huis' 

De beleidsnota Homans geeft eindelijk duidelijkheid over enkele beslissingen die de toekomst van het inburgerings- en integratiebeleid gaan bepalen. Een duidelijkheid die vaak ontbrak tijdens deze legislatuur. We benoemen wat goed is, maar stellen ons vragen waar nodig.

 Algemeen zien we een opsomming van een reeks succesvolle projecten of ‘proeftuinen’ waarbij de Minister en overheidsdiensten experimenteren met een nieuw beleid op basis van bestaande noden en behoeften. Maar sterke ‘proeftuinen’ vormen geen voldoende fundament voor een integratiebeleid dat als een huis moet staan.

De besparingen die zijn doorgevoerd dragen niet bij tot de noodzakelijke man- en vrouwkracht op het terrein. Minister Homans wil in naam van de Vlaamse regering boven alles de herkomstkloof dichten. ‘De herkomstkloof’ is het verschil in positie die ‘mensen met migratieachtergrond’ hebben ten aanzien van autochtone Vlamingen op diverse levensdomeinen. Eindelijk komt er een monitoring- en meetinstrument waardoor we weten of we die herkomstkloof ook aan het dichten zijn. Over het algemeen zien we heel veel inzet op taalverwerving en maatschappelijke oriëntatie, maar weinig op hoe mensen hun weg kunnen vinden en ondersteund worden op dat pad in de maatschappij.

Dat enkele kwetsbare doelgroepen zoals mensen zonder wettig verblijf en woonwagenbewoners nog eens dreigen te verdwijnen uit de decretale opdracht van het Agentschap Inburgering en Integratie (hierna AgII) is zorgwekkend.

We lichten de beleidsbrief door in zeven punten 

  • We belichten enkele hoopvolle praktijken die inspelen op de noden en behoeften die van onderuit komen. Maar stellen ons wel vragen over de duurzaamheid van die experimentele praktijken of ‘proeftuinen’.
  • We merken op dat inburgering meer flexibel wordt ingericht, met vervlechting met andere integratietrajecten naar werk, of meer outreachend, waarbij men taal oefent op de plaatsen waar nieuwkomers vertoeven. Maar inburgering is nog geen integratie. En daar hapert het.
  • We belichten de toenemende inzet op samenwerkingsprotocollen tussen overheidsdiensten. Willen we echter duurzame samenwerking dan moet er geïnvesteerd worden in bruggenbouwers tussen overheidsdiensten. Anders blijven samenwerkingsprotocollen ‘papieren tijgers’.
  • Het streven naar een ‘geïntegreerd beleid’ op Vlaams niveau doet ertoe. En eindelijk wordt er gemonitord wat de impact is van het Horizontale Integratiebeleid. Maar we vragen ons af of ‘1 plus 1, geen 3’ kan zijn. Het Horizontale Integratiebeleid legt puzzelstukken naast elkaar, maar klikt ze niet ineen waardoor er weinig nieuw beleid uit voortkomt. Hoe kunnen we zo ooit de ‘herkomstkloof’, die de ongelijkheid tussen ‘autochtoon’ en ‘allochtoon’ aanduidt op diverse levensdomeinen, aanpakken en dichten?
  • De ondermaatse aandacht voor integratie op het terrein, verbinden we met de besparingen die haaks staan op de nood aan meer ondersteuning van diverse sociale professionals en nieuwkomers. Dat is zowat onze voornaamste zorg: superdiversiteit vraagt meer investeringen en niet minder.
  • Samenwerking met het middenveld en ‘gedeelde verantwoordelijkheid’. Daar zeggen we graag ‘ja’ tegen. Maar dat vraagt een proactieve overheid die het middenveld als partner ziet in de coproductie van beleid. We zien dat niet in het traject van VZW Integratiepact.
  • Lokale autonomie en subsidiariteit mogen geen afwentelen van verantwoordelijkheid zijn. Lokale overheden staan dicht bij de burgers en zijn een hefboom voor de integratie van nieuwkomers. Maar dan verdienen ze ondersteuning van de Vlaamse overheid.

Hoopvolle praktijken

Vluchtelingenwerk Vlaanderen waardeert dat de minister inzet op de vernieuwing van het beleid omtrent Nederlandse taalverwerving als tweede taal (NT2). Taalverwerving is en blijft belangrijk op het terrein, al kijken we als Vluchtelingenwerk anders naar de manier ‘waarop de taal moet verworven worden’. De bestaande aanpak is er nog altijd één waar een schoolse aanpak domineert. Dat brengt met zich mee dat men de taal leert, verwijderd van dagdagelijkse situaties zoals op de werkvloer of als vrijwilligerswerk in een sociale organisatie. We pleiten voor taalverwerving waar leren niet losstaat maar gecombineerd wordt met de werkvloer, met de vrije tijd en met actieve participatie op diverse domeinen. We zien gelukkig een trage verandering naar Nederlands op de werkvloer, met bijvoorbeeld Loopbaanoriëntatietrajecten NT2 (LONT2) van de VDAB. Ook Basiseducatiecentra hebben toenemend oog voor concrete praktijksituaties in de lessen.

Waar dat gaat over de inzet op concrete praktijken en praktijkwerkers, benadrukken we graag wat goed is. Dan gaat het bijvoorbeeld over:

  • De participatie van het Agentschap Binnenlands Bestuur, dat meewerkte aan de uitvoering van het Vlaams Actieplan Armoedebestrijding 2015-2019. Daardoor werden twee nieuwe acties toegevoegd: het inzetten van ‘buurtstewards’ om lokaal de integratie en positie van Roma te verbeteren, en het AMIF-project om de kleuterparticipatie en ouderbetrokkenheid bij personen uit derde landen te verhogen en verbeteren.
  • We vermelden aansluitend de projecten met de VDAB ‘@level2work’, om hooggeschoolde nieuwkomers toe te leiden naar een job op niveau. In dit project, gefinancierd met AMIF-middelen (Europees Fonds voor Asiel, Migratie en Integratie), werkten de Agentschappen nauw samen met de VDAB. Op regionaal niveau werden de afspraken van dit project gekoppeld aan en gekaderd binnen de samenwerkingsovereenkomst met de VDAB.
  • En de samenwerking met de VDAB, STEBO en Vluchtelingenwerk, en andere partners in het ESF-project (Europees Sociaal Fonds) ‘Azo!’, gericht op vluchtelingen met ondernemersambities. Het project wordt verlengd tot eind 2019 en de doelgroep wordt verbreed naar inburgeraars afkomstig uit landen met een zwakke sociaaleconomische achtergrond.
  • Daarnaast is AgII samen met de VDAB ook partner bij een ESF-project van Fedasil om een meer geïntegreerde ketenaanpak te ontwikkelen voor verzoekers om internationale bescherming die opgevangen worden in collectieve opvangcentra.

De tijdelijke inzet op deze erg concrete proeftuinen en goede praktijken zijn sterke bouwstenen. Maar ze vormen geen voldoende fundament voor een integratiebeleid dat staat als een huis. Er is een gebrekkige integratie van de ‘lessons learned’ uit de proeftuinen in regulier beleid. We zien dat wel in de aanpak van het opleidings- en certificeringstraject sociaal tolken, wat leidde tot meer geslaagde gecertificeerde tolken voor knelpunttalen. Wat meer dan nodig is, gezien de schreeuw om sociale tolken, waaraan er een tekort is op het terrein.[1] Er zijn nog steeds wachtlijsten en piekmomenten waarop het zoeken van een tolk voor bepaalde talen bijna onmogelijk is. Dit vormt dan ook een grote hindernis voor een gesprek, het opstarten van een procedure, een inschrijving of iets anders.

Minister Homans werkte aan de diplomagelijkschakeling, die nieuwkomers betere toegang geeft tot onderwijs of de arbeidsmarkt. De procedure is gratis tot drie jaar na het ondertekenen van het inburgeringscontract, maar sinds januari 2017 moeten inburgeraars zelf de vertaling bekostigen. Wat voor ‘exotischere talen’ toch een serieus bedrag is als je moet rondkomen met een leefloon. De klachten over NARIC (National Academic and professional Recognition and Information Centre), omwille van te lange duur, complexe erkenningsprocedures en onrealistische voorwaarden, die tot bij Vluchtelingenwerk komen, zijn nog steeds omvangrijk.

Inburgering is geen integratie

We blijven er over het algemeen van overtuigd dat er tussen droom en daad praktische bezwaren in de weg staan. Daarmee bedoelen we dat we in de praktijk zien dat er aan de noden en behoeften van nieuwkomers vaak onvoldoende wordt beantwoord; zeker wat integratienoden betreft op het vlak van wonen, leren, werken en vrije tijd. De dominante aanpak en visie van inburgering via taalverwerving en maatschappelijke oriëntatie zijn onvoldoende.

                Ten eerste vinden we dat de aanpak van het inburgeringstraject tekortschiet wat output en duurzame trajecten betreft. We vinden die miniem. De oriëntatie door de trajectbegeleiders leidt tot een te beperkte doorstroom van 50% van de inburgeraars die aan een job geraakt, volgens een studie van het HIVA aan de KULeuven.[2] Ook de wachtlijsten voor nieuwkomers stijgen.              (http://www.standaard.be/cnt/dmf20181024_03869219…).

Ten tweede zien we dat er bijvoorbeeld geen opvolging of vervolgtraject is na het MO-traject. Voor vele erkende vluchtelingen is het MO-traject leerrijk maar vaak veel informatie op korte tijd. Het is een onvoldoende antwoord op de bestaande noden op vlak van kennis en vaardigheden. Zolang er geen vervolgtraject komt in de uiteindelijke stad of gemeente of vanuit het AgII, kent dit tijdelijke traject een te beperkte efficiëntie en duurzaamheid.

Kortom, de nota is coherent met de ideologische trend in het inburgeringsbeleid van de Vlaamse regering. De focus ligt op taalverwerving en kennisverwerving van onze maatschappij tijdens het traject ‘maatschappelijke oriëntatie’ dat verweven is met een normen- en waardenkader. De Vlaamse regering heeft op die terreinen van taalverwerving en maatschappelijke oriëntatie de resultaatsverbintenis doorgedrukt, waardoor de verantwoordelijkheden op de schouders van de nieuwkomers komen te liggen.  De wederzijdse verantwoordelijkheid en wederkerigheid, die vooral op het terrein van integratie liggen, zijn zwaar teruggeschroefd.

Is er dan niks goeds wat ‘inburgering’ betreft? Allerminst. Wat ons hoopvol stemt, is de inzet op outreachende projecten, wat de groeiende flexibele organisatie aantoont in de organisatie van ‘inburgering’. Bijvoorbeeld de oefenkansen Nederlandse taal die de minister voorziet bij inloopcentra van ‘Kind en Gezin’. Opnieuw, dit zou regulier beleid moeten zijn – ook op het inburgeringstraject – en geen ‘proeftuin’ (zie punt 1). 

Inburgering is ook nog geen ‘integratie’. Integratie brengt een wederkerige relatie met zich mee: nadat de nieuwkomers tijd en energie hebben geïnvesteerd in het inburgeringstraject, heeft de samenleving de plicht om in wederkerigheid te investeren via een duurzame integratie. Dat betekent bruggen bouwen naar onderwijs, naar wonen, naar werk en vrije tijd. Zodat er uitzicht is op gelijkwaardig burgerschap, gelijke kansen en participatiekansen aan het maatschappelijk leven. Maar dat integratieluik is toenemend weggevallen sinds de hervorming van 2013.[3] Noch ‘het horizontale integratiebeleid’, noch het gelanceerde ‘integratiepact’ in samenwerking met de civiele samenleving – zie later – zien we als voldoende om nieuwkomers op een duurzaam integratietraject te zetten. Dit bespreken we in de volgende punten waar we het tekort aan geïntegreerd beleid aankaarten.

Het streven naar een 'geïntegreerd beleid'

De Vlaamse regering benadrukt de nood aan meer samenwerking overheen diverse overheidsdiensten. De inzet, ‘het horizontaal integratiebeleid’ op Vlaams niveau, dat omkaderd is door de Commissie voor Integratiebeleid (CIB), toont een wil om te streven naar een geïntegreerde aanpak. Er wordt overheen beleidsdomeinen afgestemd, wat ‘integratie’ betreft, om op Vlaams niveau het gangbare beleid te bundelen. Het is de bedoeling – via die aanpak – dat de collectieve impact op integratie in beeld komt en verder wordt afgestemd tussen beleidsdomeinen van individuele ministers. Het gebundelde beleid komt in het zogenaamde Horizontaal Integratiebeleidsplan (HIBP). In juli 2016 keurde de Vlaamse Regering het nieuwe HIBP goed, dat in juli 2018 werd geactualiseerd.

De voornaamste doelstelling van het HIBP is om de herkomstkloof te dichten: de kloof tussen autochtone en allochtone burgers op diverse levensdomeinen, waardoor men ongelijk scoort op gelijke kansen wat arbeid, onderwijs, wonen en andere integratiedomeinen betreft.

Vluchtelingenwerk sluit zich aan bij adviesraden als de Sociaal-Economische Raad van Vlaanderen (SERV) en de Vlaamse Onderwijsraad (VLOR) dat we voorlopig weinig meerwaarde zien die gecreëerd wordt door het HIBP. Het zijn puzzelstukken die naast elkaar worden gelegd, maar niet ineen worden geklikt. We zijn wel tevreden met de nadruk op meer monitoring – het meten van het dichten van de herkomstkloof – die er komt.

Inzet op samenwerkingsprotocollen

De Vlaamse regering investeert sterk in samenwerking tussen overheidsdiensten. Maar we merken dat wat goed werkt in theorie, niet altijd overeenstemt met de praktijk. We zien zowel op Vlaams als lokaal niveau een ‘ad hoc’ aanpak waarbij 1 + 1 zeker niet 3 is, wat het streefdoel zou moeten zijn van een geïntegreerde aanpak.

Er is een positieve evolutie op het terrein. Maar de kwaliteit van de samenwerking tussen diverse actoren als het AgII, de VDAB en de OCMW’s is regioafhankelijk. De samenwerking hangt niet af van de afspraken op papier, maar van het engagement van mensen op het terrein. Bij sommige VDAB-afdelingen is er een goede doorstroom vanuit inburgering (trajectbegeleiders) naar het ‘LONT2 aanbod’ (loopbaanoriëntatie voor iemand met Nederlands als tweede taal) waarbij men Nederlands geeft aan een CVO samen met iemand van de VDAB die in de les info geeft rond werk en loopbaanoriëntatie. Op andere plaatsen is de samenwerking met de VDAB dan weer ondermaats en is ook het OCMW moeilijk bereikbaar. Dat geldt ook voor de samenwerking met de CAW’s, waar sommige afdelingen veel inloopmomenten organiseren en andere niet. Ook de centralisatie van sommige functies, zoals ‘het Nederlandsloket’, draagt niet bij aan de afstemming op lokaal niveau.

In de praktijk merken we dat er vaak een eilandpolitiek bestaat in de diverse overheidsdiensten. De bruggen die gebouwd worden tussen diensten ontbreken vaak.  De ene hand van de overheid weet vaak niet wat de andere hand doet, en de ene hand doet en denkt letterlijk iets anders dan de andere hand. Tussen Vlaamse diensten als het Departement Onderwijs, het AgII en de VDAB zie we vaak chaos op caseniveau. Wanneer er wel structureel gebouwde bruggen zijn heeft dat vaak te maken met een meevaller als een goed gefinancierd ESF-project dat diverse overheidsdiensten op elkaar betrekt, zoals in Antwerpen en Gent de ‘Werkplek Vluchtelingen’. Bovendien ontbreken ook duurzame netwerken met het middenveld, en vrijwilligersnetwerken niet te vergeten, die evengoed belangrijke integratieactoren zijn.

Samenwerking met het middenveld en 'gedeelde verantwoordelijkheid'

De beleidsbrief van Minister Homans benadrukt ook verschillende keren de samenwerking met het middenveld. Het belang van ‘gedeelde verantwoordelijkheid’ naar middenveldpartners staat centraal. Maar waar wil men met die samenwerking naartoe? We hebben vooral vragen bij het zogenaamde ‘Integratiepact’.

De middelen die verstrekt worden aan het ‘Integratiepact’ waarvoor 1,5 miljoen euro is voorzien, moeten mee ‘de herkomstkloof dichten’, door onder andere racisme en discriminatie te bestrijden. We lezen dit graag. Maar wat betekent dat wanneer het beleid niet dezelfde doelen nastreeft? De afstemming van het Integratiepact met het HIBP en het gangbare gelijke-kansenbeleid, zorgt voor onduidelijkheid.

Het is een illusie om te denken dat de herkomstkloof gedicht kan worden enkel door het optreden van de overheid,” stelt de beleidsnota. Maar het is evengoed een illusie dat dat kan zonder een coherent beleid waar politiek/beleidsmakers en middenveld elkaar vinden. Het breed maatschappelijk draagvlak dat het ‘Integratiepact’ moet voortbrengen om zoveel mogelijk actoren te stimuleren discriminatie en racisme actief te bestrijden en wederzijds respect te bevorderen, is ‘een luchtkasteel’ wanneer dat aanbotst tegen een beleid dat praktijktesten tegenhoudt en weinig inzet op diversiteit op de werkvloer, in het onderwijs en op andere maatschappelijke domeinen.[4]

Tot op heden wil de Vlaamse overheid zelf geen rol spelen in het Integratiepact. Waar de twaalf geselecteerde projecten die middelen kregen onder de noemer van het ‘Integratiepact’ naartoe gaan, is totaal onduidelijk. Het aanbod van het Integratiepact is onduidelijk. En ze werken niet met resultaatsindicatoren. Ook financieel werden er al zware opmerkingen gemaakt en zijn hun voorschotten vanuit de Vlaamse overheid aangepast.

En welke rol voor het Minderhedenforum? Het onderzoek naar de beleidsparticipatie van personen van buitenlandse herkomst toonde aan dat het Minderhedenforum meer moet kunnen optreden als een forum van actoren die mensen van buitenlandse herkomst een stem willen geven. Het moet ook meer inzetten op het versterken van beleidsparticipatie. We zijn het daarmee grotendeels eens: naast representatie is zelfrepresentatie van belang. Maar we hopen dat dit niet betekent dat structureel werk op de 2de lijn moet worden afgebouwd.

Besparingen staan haaks op 'geïntegreerd beleid'

Vluchtelingenwerk is ervan overtuigd dat er nog heel wat werk aan de winkel is wat ‘samenwerking’ betreft. Er worden heel wat samenwerkingsprotocollen opgezet op dienstenniveau tussen diverse overheidsactoren – wat we op zich toejuichen samen met de toegang tot gedeelde informatie en data – als AgII en de VDAB, Fedasil, de VVSG (op niveau van het OCMW) en het departement Onderwijs. Maar vaak blijven dat soort samenwerkingsprotocollen een ‘papieren tijger’ wanneer er te weinig ‘boots on the ground’ zijn om die in de praktijk vorm te geven. En dat sluit naadloos aan bij ons belangrijkste punt over de impact van de besparingen. Besparingen zijn nefast in een tijd waar superdiversiteit toeneemt en de noden en behoeften van onderuit toenemen.

Het belangrijkste werk wordt gedaan door mensen en mensenhanden. De besparingen zijn daar niet goed voor, net omdat ze worden doorgevoerd op het niveau van praktijkwerkers, de mensenhanden die de samenwerking op caseniveau vormgeven.  We zien dat soort samenwerking wel concreet op het niveau van praktijken. De Agentschappen en het Huis van het Nederlands zetten bijvoorbeeld in op geïntegreerde trajecten. Zo organiseerde Atlas samen met het volwassenenonderwijs functie-specifieke NT2-trajecten voor o.m. het stadspersoneel.

Het AgII heeft een vierde van zijn personeel ontslagen, zogenaamd enkel door de verlaagde instroom van asielzoekers. In de beleidsbrief kan daarentegen worden gelezen dat er meer vraag is naar ondersteuning op het terrein. We stellen ons daarom ernstige vragen over de kwaliteit van de dienstverlening. De cijfers en signalen uit de praktijk tonen dat het ernstig hapert met wachtlijsten op het inburgeringstraject, alsook op het integratieluik.

Enkele cijfers:

-          In februari 2018 konden 3525 mensen niet beginnen aan hun cursus maatschappelijke oriëntatie. In september 2018 is dit opgelopen tot 4703. Hiervan hebben er 1785 geen passend aanbod. 1800 inburgeraars kunnen niet beginnen aan hun inburgeringscursus omdat het ofwel niet te combineren valt met het NT2-aanbod, ofwel met hun werk. Dit toont aan dat het AgII zijn eigen aanbod niet op elkaar afgestemd krijgt.

-          De communicatie dat er heel wat personen wachten op een passend aanbod omwille van hun specifieke moedertaal is onwaar. De grootste groepen die geen passend aanbod hebben, hebben als moedertaal Arabisch, Somali, Koerdisch, Spaans, Turks of Roemeens. En het is nog straffer als je kijkt naar contacttaal. De grootste groep heeft als contacttaal Arabisch. Daarna Nederlands (!) en vervolgens Engels, Farsi en Frans. Dat zijn geen uitzonderlijke of specifieke talen.

We vragen daarom nogmaals als middenveld dat het Rekenhof gelast wordt met een externe audit om duidelijk in kaart te brengen wat de concrete caseload is bij het Agentschap, en hoe de kwaliteit kan gegarandeerd worden.

De besparingen hebben een zware impact op het integratieluik. De integratie van inburgeraars hoort eigenlijk bij het werk van trajectbegeleiders door toeleiding naar vrije-tijdsaanbod, naar leertrajecten of werk. Maar trajectbegeleiders krijgen geen tijd meer om zelf het netwerk te onderhouden en alle info te vergaren om cliënten goed door te verwijzen. De besparingen bij het AgII hebben daarnaast juridische hulpverlening gekortwiekt. Beide profielen waren nochtans op een verschillende manier cruciaal voor het integratietraject om grondrechten te realiseren. Ook de leerkrachten Maatschappelijke Oriëntatie hebben hun voorbereidingstijd enorm zien slinken en ook de individuele contactmomenten met leerkracht en trajectbegeleiders samen zijn gesneuveld onder de werkdruk.

Die besparingen werden niet enkel doorgedrukt op het AgII, maar werden doorheen de tijd ook al doorgevoerd bij andere dienstverleners zoals de VDAB en de OCMW’s. De dossierlast bij de basiswerkers van de VDAB (bemiddelaars en taalcoaches), van het AgII (vooral trajectbegeleiders) en OCMW-medewerkers is veel te hoog, waardoor de kwaliteit en diepgang van integratietrajecten te wensen overlaat. Wat ons terugbrengt bij de moeilijke samenwerking op het terrein, die meer is dan een ‘papieren kwestie’ via een samenwerkingsprotocol.

Het effect van de besparingen is dat er meer overbelaste schouders van basiswerkers en vrijwilligers zijn op het terrein. Onbetaalde krachten, buddies en vrijwilligers doen steeds meer structureel werk op het pad naar wonen, werken en onderwijs, en krijgen de verantwoordelijkheid om toe te leiden naar een waaier van publieke diensten.

We maken ons ook zorgen over de nieuwe drempels die worden ingebouwd door de Minister. Met het decreet van 29 mei 2015 kregen ‘de Agentschappen Inburgering en Integratie’ en ‘het Huis van het Nederlands’ bijkomend de bevoegdheid om het taalniveau Nederlands te attesteren van anderstaligen die geen bewijs hebben van een gevolgde NT2-cursus. Voor de taaltesten van mensen die buiten het verplichte inburgeringstraject Nederlands volgen, moet betaald worden.

Deze nota vermeldt ook niks over de groepen die opeens dreigen uit de boot te vallen bij de herwerkingen van diverse artikelen van het decreet integratie en inburgering.

  • Er is een nieuwe definitie van wie de doelgroep is: slechts eerste en tweede generatie nieuwkomers. Dat is anders dan de VESOC-definitie (Vlaams Economisch Sociaal Overlegcomité), die meer doelgroepen insluit. Men sluit dus verder kwetsbare doelgroepen uit op algemeen niveau.
  • Kwetsbare doelgroepen als 'mensen zonder papieren' en 'woonwagenbewoners' dreigen uitgestoten te worden. De eerste doelgroep verdwijnt gewoon. Ook al is die eerste groep dagelijks in de media waar het fout loopt. Je zou net meer beleidsaandacht verwachten. De tweede groep krijgt enkel nog aandacht als ze blijven rondtrekken. Zowel de SERV als de VLOR maken zich ernstig zorgen. Vluchtelingenwerk sluit zich daarbij aan.[5]

Lokale autonomie en subsidiariteit mogen geen afwentelen van verantwoordelijkheid zijn 

Lokale besturen zijn zondermeer belangrijke actoren in het integratietraject van nieuwkomers. Er zijn volgens de minister heel wat initiatieven genomen met respect voor de lokale autonomie, om de lokale besturen te ondersteunen. Maar we lezen vooral over ‘tijdelijke’ extra middelen en beperkte inzet van middelen. Tijdelijkheid is geen goede leidraad voor een structureel integratiebeleid. 

Het gaat dan om de tijdelijke middelen voor de verhoogde instroom van vluchtelingen die zijn vrijgemaakt voor steden en gemeenten, over de zeven projecten ‘intergemeentelijke samenwerking’, het project van AgII met drie proeftuinen in de brede Vlaamse Rand, en de projecten met ‘buurtstewards’ in de steden Antwerpen, Gent en Sint-Niklaas en bij de VGC die nog lopen tot eind augustus 2020. Nadien worden zij structureel ingebed in de lokale werking. Zes projecten krijgen middelen om de lokale beleidsparticipatie van personen van buitenlandse herkomst en de burgerzin bij alle burgers te bevorderen. Of en hoe lokale besturen deze projecten verderzetten op eigen middelen, is nog een open vraag. De Vlaamse overheid stuurt daarop aan, de lokale besturen sturen de vraag naar duurzame financiering terug.

We stellen ons wel meer vragen over de duurzaamheid van projectfinanciering. Eind 2016 ondertekenden AgII en de Vlaamse Vereniging voor Steden en Gemeenten (VVSG) een samenwerkingsovereenkomst. Hiermee gaf AgII uiting aan zijn intentie om van lokale besturen dé prioritaire partner en klant te maken bij het ontwikkelen van zijn ondersteunings- en begeleidingsaanbod. De samenwerkingsovereenkomst werd ondertussen vertaald naar een gestructureerde operationele samenwerking op de verschillende terreinen waarop AgII actief is. Op basis van ‘proeftuinen’ werden samenwerkingsovereenkomsten afgesloten en aanbevelingen geformuleerd voor de samenwerking met lokale besturen. Dit heeft lokale besturen samen met AgII aangezet tot een lokaal plan van aanpak, met acties om de toegankelijkheid van het interne en externe aanbod voor anderstalige nieuwe inwoners van buitenlandse origine te verhogen. De acties liepen tot eind december 2018. Wat daarna?

In juni 2015 lanceerde de Minister een algemene oproep voor pilootprojecten intergemeentelijke samenwerking voor 1 miljoen euro. Er werden zeven gesubsidieerde projecten gefinancierd over onthaalbeleid in de gemeenten en/of het samenleven in diversiteit en het bieden van gelijke kansen. De minister wil ook inzetten om de aanbevelingen van de studie ‘De invulling en versterking van de regierol van lokale besturen op vlak van integratiebeleid’ in opdracht van het Agentschap Binnenlands Bestuur uit te voeren. Vandaag krijgen in totaal echter slechts 57 steden financiële ondersteuning van de Vlaamse Overheid om het lokale integratiebeleid uit te werken. We weten dat de huidige Vlaamse integratiemonitor uitwijst dat er 179 gemeenten aan de criteria van het integratiedecreet voldoen voor Vlaamse subsidies. Het voorbije jaar stopten er veel Vlaamse sectorale subsidielijnen en initiatieven. Bij het opdrogen van ook deze middelen zullen deze acties verminderen of verdwijnen, juist nu de eigenlijke integratie van veel vluchtelingen nog moet beginnen en de gemeenten worden geconfronteerd met de uitdagingen die de gezinshereniging van de erkende vluchtelingen en subsidiair beschermden met zich meebrengt.

Het is voor Vluchtelingenwerk onduidelijk hoe de minister aan de slag zal gaan met de oproep van de VVSG voor enerzijds een verderzetting van financiering en anderszijds de vraag om de aanbevelingen uit het onderzoek uit te voeren zodat de bestuurskracht van de lokale besturen i.v.m. een lokaal integratiebeleid effectief kan worden uitgevoerd. Waarom is er bijvoorbeeld geen verplichting om te werken aan integratie zoals een LOP (lokaal overlegplatform) aan onderwijs en gelijke kansen werkt: een lokaal overlegplatform/taskforce voor nieuwkomers? Omkaderd door de Vlaamse overheid?

Ook de medewerkers van het AgII, meer specifiek de integratieconsulenten, werken alleen maar integratieprojecten uit op aanvraag van lokale besturen. Een lokaal bestuur kan bijvoorbeeld een vorming rond ‘duidelijke taal’ vragen, of een ziekenhuis kan iets vragen rond cultuursensitiviteit. Of er kan een vraag komen over de nood aan interreligieuze dialoog of hulp aan een vereniging die ‘allochtone’ leden wil aantrekken. De kern van het probleem hier is dat ze een aanvraag moeten binnenkrijgen, en men geen aanbod mag ontwikkelen waaraan er nog steeds nood is. Er zijn ook nog de ondersteuners lokaal beleid, die vooral adviezen en signalen doorgeven en daarnaast in allerlei overlegplatformen zitten. Ze kunnen in de praktijk niet meer dan voorzichtig adviseren.

Besluit

De Vlaamse regering mag dan al sterke proeftuinen en meer flexibele inburgeringstrajecten opzetten, de samenwerking tussen overheidsactoren verstevigen, toch ontbreekt het volgens ons aan een stevig fundament voor een écht integratiebeleid. De Vlaamse regering kiest voor een waaier aan stevige projecten, die aantonen dat ze nieuwe noden en behoeften op het terrein kan beantwoorden met meer flexibele en outreachende projecten en trajecten. Maar als de centrale doelstelling van het inburgerings- en integratiebeleid de herkomstkloof dichten is, maken we ons zorgen dat we in relevante maatschappelijke domeinen de herkomstkloof net zien groeien.

  • Als we kijken naar de werkzaamheidsgraad zien we bijna geen evolutie. Eind 2017 lag deze bij personen buiten de EU-15 op 53.7% en bij personen van Belgische herkomst op 74.1%. De kloof van een gemiddelde van 20 procentpunten tussen Belgen en niet EU-15 burgers blijft ongewijzigd.[6]
  • In 2009-2010 lag de kloof tussen scholieren die thuis Nederlands spreken en zij die thuis geen Nederlands spreken en één jaar schoolachterstand hebben op 9.8 procentpunten. In 2015-2016 liep dit op tot 13.2 procentpunten.[7] Thuistaal Nl 24.9% tov aantal lln en niet thuistaal Nl 34.7% (2009-2010). Voor 2015-2016 lag dit respectievelijk op 23.9% en 37.1%. Dat wil zeggen dat de schoolachterstand moet weggewerkt worden door aan de taal te werken, maar op een manier die meertaligheid normaliseert.
  • Voor 2014 berekende Kind en Gezin dat 5.1% van de kinderen met een Belgische moeder worden geboren in een kansarm gezin. Voor niet-Belgische moeders ligt dit op 29%. Een verschil van 23.9 procentpunten. In 2017 is dit gestegen naar 32.9 procentpunten. In 2017 werden 6.1% van de kinderen met een Belgische moeder geboren in een kansarm gezin. Voor kinderen met een niet-Belgische moeder werd 32.9% geboren in een kansarm gezin. De kloof is dus gestegen met 12%.
  • In 2012 bleek dat o.b.v. het grote woononderzoek het aandeel eigenaars bij Belgische burgers op 72% ligt. Bij burgers die niet de EU-nationaliteit hebben ligt dit aandeel op 21%. Dat is een kloof van 51 procentpunten. Als je gaat kijken naar plaats van geboorte zie je dat eigenaarsaandeel op 73% ligt als je in België bent geboren en voor personen die buiten de EU zijn geboren gaat het om 34%.  Dat is een kloof van 39 procentpunten. Als je gaat kijken naar de laatste cijfers die gebruikt worden in de Vlaamse integratiemonitor van 2018 is de kloof wat betreft nationaliteit Belg vs. niet-EU opgelopen tot 56 procentpunten. Van 80% eigenaarsschap Belgische nationaliteit vs. 24% eigenaarsschap niet-EU nationaliteit. Ook als je gaat kijken naar sociale huisvesting zie je de kloof toenemen, zowel bij huurders als kandidaat huurders.[8]

We roepen dan ook Minister Homans en de Vlaamse regering op om deze punten en bezorgdheden ernstig te nemen. We overkijken het terrein van asielzoekers, erkende vluchtelingen en subsidiar beschermden. En we staan op dat terrein. En wat we zien, roept heel veel vragen op. De weg is nog lang. Maar meestal is de beste manier om die weg te maken, te beginnen wandelen. We steken graag onze hand uit om die wandeling samen aan te vatten.



[5] Adviesvragen over het voorontwerp van decreet tot wijziging van diverse artikelen van het decreet van 7 juni 2013 betreffende het Vlaamse integratie- en inburgeringsbeleid

http://www.serv.be/sites/default/files/documenten/COM_DIV_20180507_integ...

[6] EAK, Eurostat

[7] Vlaamse migratie en integratiemonitor 2018 statistiek vlaanderen

[8]  Vlaamse migratie en integratiemonitor 2018 statistiek vlaanderen

Vluchtelingenwerk stelt mensen voorop in voorstellen voor verkiezingen

In mei 2019 vinden de Vlaamse, federale en Europese verkiezingen plaats. Vluchtelingenwerk Vlaanderen zet de mens terug voorop als rode draad doorheen het asielbeleid. Hoe beleidsmakers die ommezwaai concreet kunnen aanvatten, en wat de speerpunten van een constructief en duurzaam vluchtelingenbeleid zijn, kan je hier terugvinden in onze voorstellen voor de verkiezingen 2019.

De Universele Verklaring van de Rechten van de Mens, het VN-Vluchtelingenverdrag, het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens, het VN-Kinderrechtenverdrag en andere mensenrechteninstrumenten zijn onze toetsstenen voor een menselijk, veilig en rechtvaardig vluchtelingenbeleid op Vlaams, federaal en Europees niveau. 'Mensenrechten zijn geen utopie, maar de basis waarop het Belgische beleid hoort te bouwen'!

In het Belgisch asiel-, migratie- en integratiebeleid staan mensenrechten niet langer centraal. Dat is zorgwekkend. Het effect daarvan is heel tastbaar. De toegang tot bescherming voor iedereen die asiel zoekt in België gaat achteruit. Ook het integratiebeleid, broodnodig voor de toekomst van onze diverse samenleving, krijgt te weinig zuurstof.

Manifest

Vluchtelingenwerk vraagt een ommezwaai. Met onze concrete aanbevelingen brengen we beleidsmakers op het pad van een duurzaam asiel- en migratiebeleid, dat leidt naar een veilige en welvarende samenleving waar iedereen een plaats heeft, oud- én nieuwkomers.

Zo’n beleid start met concrete engagementen voor veilige en legale toegangswegen naar ons land. Het voorziet een snelle én kwalitatieve asielprocedure, en realiseert terugkeer door te investeren in de menswaardige en goedkopere piste van de vrijwillige boven gedwongen terugkeer. Detentie figureert dan als uitzonderlijke en uiterste maatregel, die sowieso nooit wordt gebruikt voor kinderen.

Mensenrechten zijn geen utopie, maar de basis waarop het Belgische beleid hoort te bouwen!

Vluchtelingenwerk Vlaanderen wenst iedereen een gelukkig, warm en veilig 2019!

Dagelijks vluchten mensen voor oorlog, geweld en vervolging. Ze zijn op zoek naar een veilige thuis.

Wij bij Vluchtelingenwerk Vlaanderen zijn er trots op dat we hen, samen met jou, ook in 2018 hielpen om een warme plek te vinden. In 2019 blijven we ons inzetten voor mensen op de vlucht. Bedankt voor je niet aflatende steun!

De beste wensen van alle medewerkers, vrijwilligers en stagiairs op ons secretariaat: 

Rein, Charlotte, Petra, Lisa, Hélène, Jolien, Ahmad A, Pascal, Aarnout, Atiqullah, Ann, Geert, Tareq, Gudrun, Marieke, Eef, Dimitri, Fayez, Michel, Tom, Wim, Rezarta, Deborah, Greet, Sarah, Ahmad S, Isa, Miriam, Floria, Ari, Roos, Hadi en Margot.