Richtlijn van 20 juli 2001 betreffende minimumnormen voor het verlenen van tijdelijke bescherming in geval van massale toestroom van ontheemden.
(RL 2001/55/EG)
Deze richtlijn voorziet in een tijdelijk beschermingsmechanisme bij situaties waarin EU‑lidstaten plots te maken krijgen met een massale instroom van ontheemden. De tijdelijke bescherming is bedoeld voor mensen die gevlucht zijn voor een gewapend conflict of voor algemene schendingen van de mensenrechten en die niet op een veilige manier kunnen terugkeren. Het belangrijkste criterium is dat van de massale instroom (bijvoorbeeld bij de oorlog in ex-Joegoslavië). Het is de Raad van Europa die beslist wanneer er van massale instroom sprake is en wanneer de lidstaten de tijdelijke bescherming moeten toepassen.
De richtlijn bepaalt ondermeer dat de ontheemden recht hebben op :
- Een tijdelijke verblijfsvergunning
- Toegang tot de arbeidsmarkt
- Huisvesting
- Sociale bijstand
- Medische zorgen
Let wel! Deze vorm van tijdelijke bescherming is een uitzonderingsmaatregel die niet mag verward worden met het statuut van tijdelijke of subsidiaire bescherming
Lees hier de volledige richtlijn.
Omzetting naar Belgisch recht
De richtlijn van 20 juli 2001 werd door een wet van 18 februari 2003 omgezet naar Belgisch recht. De nieuwe artikelen, opgenomen in de Vreemdelingenwet van 15 december 1980, behandelen enkel het verblijfsrechtelijke aspect van de tijdelijke bescherming. Het gaat om de artikels 57/29 tot en met 57/36 van de wet van 15 december 1980.
Richtlijn van 27 januari 2003 tot vaststelling van minimumnormen voor de opvang van asielzoekers in de lidstaten (RL 2003/9/EG)
Deze richtlijn bepaalt de minimumnormen voor de opvangvoorzieningen voor asielzoekers in de lidstaten. Volgens de richtlijn moeten de lidstaten asielzoekers tijdens de procedure opvangen maar hoe dat moet gebeuren wordt overgelaten aan de lidstaten. Ook blijft de richtlijn vaag over de kwaliteitsnormen voor de opvang: ‘lidstaten moeten materiële opvangvoorzieningen voorzien met het oog op een levensstandaard die voldoende is om hun gezondheid te verzekeren en bestaansmiddelen te waarborgen’
In deze richtlijn staat verder:
- Asielzoekers krijgen de nodige verblijfsdocumenten tijdens de asielprocedure
- Asielzoekers krijgen na een door de lidstaten vastgestelde periode toegang tot de arbeidsmarkt maar als de asielzoeker na 1 jaar nog geen asielbeslissing in eerste aanleg heeft moet hij toegang krijgen tot de arbeidsmarkt onder de voorwaarden die door de individuele lidstaten worden bepaald. Zo kan een lidstaat bijvoorbeeld voorrang geven aan EU–onderdanen of aan onderdanen van derde landen met een andere verblijfstitel.
Omzetting naar Belgisch recht
Vooral de jonge EU-lidstaten als Polen, Hongarije, Cyprus, Malta zullen hun opvangwetgeving aan deze Europese richtlijn moeten aanpassen. De opvangvoorzieningen in de oudere lidstaten voldoen in grote mate aan de minimumnormen.
Verordening van 18 februari 2003 inzake de bepaling van de verantwoordelijke staat voor de behandeling van een asielverzoek ingediend in één van de EU-lidstaten (Verordening nr. 343/2003)
Kortweg de ‘Dublinverordening’. Het gaat om een jongere en efficiëntere versie van de Dublinovereenkomst van 1990. Beide Dublinteksten willen het asielshoppen tegengaan via een systeem waarbij maar één EU-lidstaat verantwoordelijk kan zijn voor de behandeling van de asielaanvraag. Alles hangt samen met de manier waarop de asielzoeker in Europa is binnengekomen. De lidstaat waar de asielzoeker eerst is binnengekomen is verantwoordelijk voor de behandeling van de asielaanvraag. Het verschil met de eerste Dublintekst is dat de Dublinverordening van 2003 veel meer rekening houdt met het bewaren van de eenheid van het gezin. Ook is de termijn waarbinnen het Dublinonderzoek moet afgehandeld zijn in de jongste tekst veel korter.
Voor het Dublinonderzoek maken de lidstaten gebruik van de EURODAC-databank. In die databank worden de vingerafdrukken van elke asielzoeker opgeslagen. Zo kan via de databank bij de asielaanvraag meteen nagegaan worden of de asielzoeker eerder in een andere EU-lidstaat asiel heeft gevraagd.
Omzetting naar Belgisch recht
Het Dublinsysteem is ingevoerd door de wet van 22 december 2003 en opgenomen in artikel 51/5 van de Vreemdelingenwet van 15 december 1980. De Belgische wet bepaalt dat ons land op elk ogenblik kan beslissen de asielaanvraag te behandelen, zelfs al blijkt na het Dublinonderzoek een andere lidstaat verantwoordelijk te zijn.
Sinds de inwerkingtreding van de hervormde asielwetgeving op 1 juni 2007 is het mogelijk om asielzoekers tijdens het Dublinonderzoek vast te houden in een gesloten asielcentrum. Daarvoor kon dat alleen maar als de verantwoordelijke lidstaat akkoord ging met de overname van de asielzoeker.
Richtlijn van 29 april 2004 betreffende minimumnormen inzake de definitie van vluchteling en subsidiaire bescherming (RL 2004/83/EG)
Deze richtlijn is misschien wel de belangrijkste omdat ze klaarheid brengt over een aantal kernbegrippen uit het Vluchtelingenverdrag en omdat ze de lidstaten oplegt een subsidiair beschermingsstatuut in te voeren.
- Interpretatie van een reeks kernbegrippen
De richtlijn legt een aantal normen vast voor de interpretatie van het begrip ‘vluchteling’ van het Vluchtelingenverdrag (Conventie van Genève). Een belangrijke verworvenheid dat Europa aanvaardt dat de vervolging door niet-statelijke actoren, zoals rebellengroepen, kan leiden tot een erkenning als vluchteling in de zin van het Vluchtelingenverdrag. Een andere verworvenheid is dat de vijf traditionele vervolgingsgronden (ras, religie, nationaliteit, behoren tot een bepaalde sociale groep of politieke overtuiging) in de richtlijn dezelfde ruime interpretatie krijgen als in het handboek van het Hoog Commissariaat voor de Vluchtelingen van de VN.
Aan andere kernbegrippen, als bijvoorbeeld ‘binnenlands vluchtalternatief’ en ‘réfugié sur place’, geeft de richtlijn dan weer een enge interpretatie.
- Subsidiaire bescherming
Voor het eerst worden alle EU-lidstaten verplicht om in hun nationale wetgeving een bijkomend beschermingstatuut op te nemen. Vooral in België was dat belangrijk omdat ons land één van de weinige EU-lidstaten was die nog geen wettelijke regeling rond subsidiaire bescherming had. Sinds 10 oktober 2006 kent België wel een bijkomend beschermingsstatuut. (artikels 48/2 t.e.m. 48/4 van de Vreemdelingenwet van 15 december 1980, ingevoerd door de wet van 15 december 2006)
- De richtlijn omvat verder een reeks minimumgaranties voor erkende vluchtelingen en vluchtelingen met een subsidiair beschermingstatuut rond ondermeer verblijf, toegang tot de arbeidsmarkt, onderwijs en beroepsopleiding.
Richtlijn van 1 december 2005 inzake minimumnormen voor de procedures voor de toekenning of intrekking van de vluchtelingenstatus (RL 2005/85/EG)
We beginnen met de meest recente richtlijn van december 2005 waarvan de meeste bepalingen pas in december 2007 naar Belgisch recht worden omgezet.
De richtlijn is bedoeld om een minimumkader binnen Europa te scheppen voor de procedures van toekenning en intrekking van de vluchtelingenstatus. Ze geldt ook voor andere vormen van bescherming zoals de subsidiaire bescherming op voorwaarde dat die tegelijk met de asielaanvraag onderzocht worden, wat in de Belgische procedure zo is.
De richtlijn legt een aantal procedurele garanties vast:
- Recht op informatie over de procedure
- Recht op een persoonlijk onderhoud
- Recht op toegang tot rechtsbijstand
In het Belgische asielstelsel zijn de meeste van de waarborgen voorzien.
De richtlijn geeft een wettelijke draagkracht aan versnelde of prioritaire asielprocedures. Een aantal landen paste zo’n versnelde procedure al toe. Bijvoorbeeld:
- bij een asielzoeker die zich na binnenkomst niet snel genoeg heeft aangemeld.
- bij asielzoekers afkomstig uit een zogenaamd ‘veilig land van herkomst’. Het is de Raad van Europa die de opdracht kreeg om een lijst uit te werken van veilige derde landen maar de lidstaten behouden het recht hun eigen lijst samen te stellen.
- bij asielzoekers afkomstig uit zogenaamde ‘superveilige landen’ mag de lidstaat beslissen een asielverzoek niet te behandelen tenminste als de asielzoeker op illegale wijze vanuit een superveilig derde land naar één van de lidstaten is gekomen.
Een superveilig derde land is een land dat:
1) het Vluchtelingenverdrag geratificeerd en nageleefd heeft
2) over een wettelijk asielprocedure beschikt
3) het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens heeft geratificeerd en nageleefd
4) door de Raad van Europa als superveilig is aangemerkt
De richtlijn blijft heel vaag over de beroepsprocedure. Ze stelt dat er in de meeste gevallen een daadwerkelijk rechtsmiddel moet zijn bij een rechterlijke instantie maar zegt niets over de cruciale elementen van zo’n rechtsmiddel. Is het schorsend? Wat zijn de beroepstermijnen?
Omzetting naar Belgisch recht
De richtlijn moet voor 1 december 2007 omgezet zijn naar Belgisch recht. Alleen voor de bepalingen rond rechtsbijstand heeft de regering een jaar extra tijd.
Voor Vluchtelingenwerk zijn de voornaamste aandachtspunten:
- ‘de formele ontvankelijkheidsgronden’ van artikel 52 Vreemdelingenwet
- de beperkte onderzoeksbevoegdheid van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen
- de quasi onmogelijkheid om nieuwe elementen in te roepen
(lees 'bedenkingen bij de hervormingen van de asielprocedure')
- de eigen standaarden mogen niet verlaagd worden tot louter minimumnormen
→ asielbeleid Europa