Zeven feiten over asielopvang in België

door Lisa

Elk jaar evalueert België hoeveel opvangplaatsen het organiseert voor asielzoekers en welk budget daarvoor nodig is. Er ligt een voorstel op tafel om opvangplaatsen te sluiten. Hoe de regering dat zal aanpakken, is nog niet duidelijk.

Vluchtelingenwerk Vlaanderen wil er bij de regering op aandringen om verder te gaan dan een besparingsoefening op basis van het aantal bedden dat vandaag leegstaat en een doordacht opvangbeleid uit te stippelen voor de lange termijn. Daarvoor heeft de regering een transparante evaluatie nodig van het beheer van de opvangplaatsen en een goede kijk op knelpunten in het traject van mensen op de vlucht. Die oefening wil Vluchtelingenwerk Vlaanderen voeden met de volgende 7 feiten over asielopvang in België:

1.   Collectieve opvang is duurder dan individuele opvang

In oktober 2017 publiceerde het Rekenhof een rapport over de opvang van asielzoekers in België.[1] Daaruit blijkt dat individuele opvang tussen de 8,10 euro en 19,97 euro per dag goedkoper is dan collectieve opvang. 

2.   Afbouw heeft een prijs

Na een vorige afbouwbeweging zorgde een plotse toename van het aantal asielaanvragen in 2015 ervoor dat in allerijl dure noodopvangplaatsen moesten worden geopend. Het personeel van de afgebouwde plaatsen was ontslagen; in de noodopvang ontbrak de nodige expertise. We moeten er rekening mee houden dat de instroom van asielzoekers fluctueert en snel opnieuw kan toenemen. Wil de regering de financiële kost van asielopvang controleren, dan dient ze dat jojo-effect in de opvang te vermijden. We vragen dat ook de menselijke kost in rekening wordt gebracht. Met crisisplaatsen, nieuwe personeelsleden … organiseert België een minder kwalitatief onthaal dan met plaatsen met jarenlange ervaring. 

3.   Een goed opvangnetwerk is een divers opvangnetwerk

Individuele opvang is niet voor elke asielzoeker geschikt. Dat geldt evenzeer voor collectieve of semi-collectieve opvang. Wat de overheid nodig heeft, is een netwerk met aangepaste opvangplaatsen naargelang ieders noden en dus een voldoende divers netwerk. Een eenzijdige afbouw van individuele opvang houdt geen rekening met de diverse noden en diverse kansen.

4.   Meer dan zes maanden in collectieve opvang is onwettig en inhumaan

De voorbije jaren zijn schrijnende situaties ontstaan in collectieve opvangcentra. Humanitaire organisaties als Vluchtelingenwerk Vlaanderen noteerden veelvuldig signalen over asielzoekers die meer dan een jaar in een collectief centrum verblijven.

Experten bevelen steeds aan om het verblijf van een asielzoeker in collectieve opvang te beperken tot maximum zes maanden. Het Rekenhof bevestigt dat in het recente rapport.

Verschillende studies tonen aan dat een lang verblijf in collectieve opvang onder meer leidt tot verlies van initiatief, het ontstaan of verergeren van medische problemen, slaapproblemen, depressies, een lager gevoel van eigenwaarde en een moeilijkere verwerking van traumatische ervaringen.[2] Het zorgt bovendien voor meer spanningen en onveiligheid in de centra. Onze eigen opvangwet bepaalt bovendien dat een asielzoeker die reeds zes maanden in de opvang verblijft, een individuele opvangplaats kan vragen. Sinds het opvangmodel in werking trad, negeert de bevoegde staatssecretaris dat wetsartikel.

In het belang van de asielzoekers, maar ook in het belang van het personeel van de centra en de omwonenden, dringt Vluchtelingenwerk Vlaanderen aan op het behoud van kleinschalige structuren waar autonomie, privacy en veiligheid voorop staan, en om het verblijf in grote collectieve centra onder geen beding langer dan 6 maanden te laten lopen.

5.     transparante kwaliteitsnormen en evaluatie zijn nodig voor planning opvangplaatsen

Het opvangmodel dat deze regering propageert en waarin collectieve opvang de norm is, werd nooit geëvalueerd. Een heikel punt is dat er ook geen publieke en uniforme kwaliteitsnormen bestaan voor opvangplaatsen. Er bestaat evenmin een onafhankelijk orgaan dat de kwaliteit van opvangplaatsen kan beoordelen. De voorstellen die vandaag op tafel liggen met het oog op besparingen, zijn dan ook niet ingegeven door de ambitie om de kwaliteit van de opvang te verbeteren maar louter door politieke voorkeuren.

Kwaliteitsnormen over opvang horen rekening te houden met meer dan de aanwezigheid van bed, bad en brood. Breng de infrastructuur en bereikbaarheid van de opvangplaatsen in rekening, met de mogelijkheden om (vrijwilligers)werk te vinden, met de nabijheid van scholen, opleidingen en medische en psychologische zorg, met de mate van privacy en autonomie die aan de asielzoekers geboden wordt, en met de begeleiding die er kan worden voorzien.

6.   Elke opvang moet een integrale begeleiding bieden

De Belgische wet draagt elke opvangstructuur, collectief of individueel, op om asielzoekers informatie en ondersteuning te geven rond twee toekomstsporen: verblijf in België en vrijwillige terugkeer. Logisch, want ongeveer de helft van de mensen blijft in ons land en daar moeten geen kansen verspild worden om te werken aan hun toekomst in onze samenleving.

De motivatie dat asielopvang hoofdzakelijk op het toekomstspoor terugkeer moet werken en een ontradend effect moet hebben, is contraproductief en gaat in tegen de geest van de opvangwet.

Het argument dat mensen in individuele opvang geen oren zouden hebben naar vrijwillige terugkeer, snijdt bovendien geen hout. Sinds het opvangmodel in werking is, is de individuele opvang in ons land voorbehouden aan personen met een hoge erkenningsgraad, personen die al een positief advies kregen en personen met zware medische problemen. Logischerwijs ligt het aantal asielzoekers dat vrijwillig terugkeert uit de individuele opvang dus laag.

Vluchtelingenwerk Vlaanderen pleit sinds jaar en dag voor een integrale begeleiding met maatschappelijke, juridische, psychologische en medische begeleiding en aandacht voor alle mogelijke toekomstperspectieven. Goed ondersteund en geïnformeerd hebben mensen een beter begrip van hun situatie en werkelijke toekomstkansen en zijn ze beter in staat om eigen geïnformeerde keuzes te maken. Objectieve en volledige informatieverstrekking is dé basis hiervoor.

We merken, samen met het Rekenhof, op dat er nog steeds geen uniforme opleiding bestaat voor alle sociaal assistenten in het opvangnetwerk.

7.   beschikbare opvangplaatsen kunnen beschermingsnood en woonnood lenigen

Wereldwijd zijn er 65,6 miljoen mensen op de vlucht. De meerderheid wordt opgevangen binnen het eigen herkomstland en in buurlanden. De meerderheid van de vluchtelingen is afkomstig uit Syrië, Afghanistan en Zuid-Soedan.

In 2017 vroegen in totaal slechts 19 688 mensen asiel aan in België. België heeft de opdracht mensen die asiel aanvragen menswaardig op te vangen. Het gaat tenslotte om een bijzonder kwetsbare groep van mensen die op de vlucht zijn voor vervolging of geweld. Bij ons is de top drie van nationaliteiten Syrië, Afghanistan en Irak. Vorig jaar kreeg iets meer dan de helft van deze asielzoekers een positieve beslissing.

België kan meer doen. Wil onze regering tegemoet komen aan het pleidooi van de VN voor een evenwichtige verdeling van de verantwoordelijkheid, dan sluit ze geen opvangplaatsen maar gebruikt ze de beschikbare opvangcapaciteit en expertise om meer inspanningen te doen voor relocatie en hervestiging.

Luistert onze regering naar experten huisvesting, dan weet ze dat er een grote woningnood bestaat onder asielzoekers die een positieve beslissing hebben gekregen. De huidige onderbezetting van opvangplaatsen kan ook worden gezien als een tijdelijk vangnet voor erkende vluchtelingen, tot ze een eigen woonoplossing vinden.



[2] De Jongh, S. (2007) Psychologische impact van (langdurig) verblijf in open centra op asielzoekers. Brussel: VUB (eindverhandeling); European Council on Refugees and Exiles (2001), Position on the Reception of Asylum Seekers, vnl. Punt 11 en 31; Commissioner for Human Rights (2010), Positions on the right to seek and enjoy asylum, Strasbourg, p.5; Federale ombudsman (2009), Onderzoek naar de werking van de open centra beheerd en erkend door Fedasil, Brussel, o.a. punt 3, 216-217, 237, 313, 417-426; Fedasil, december 2016, Studie Kwetsbare personen met specifieke opvangnoden, p.18