Soep serveren

door Dimitri
  • vrijwilligers in het Soeppunt (foto Pieter-Jan De Pue)

Een asielzoeker, wat moet ik mij daar in hemelsnaam bij voorstellen? Dagelijks vang ik van hen wel iets op tijdens radionieuws of lees ik een tragisch vluchtelingenverhaal in de krant. Ik heb ze wel ook al eens gezien, op de televisie natuurlijk. Maar een gesprek met een asielzoeker of gewoon een mens op de vlucht zien met mijn eigen ogen? ‘Dan moet je maar eens meegaan naar ons Soeppunt, en schrijf maar meteen je eerste indruk neer in een blog.’    

Wanneer ik op een zure en regenachtige zomerdag de deur van het Soeppunt opentrek, zijn de eerste vrijwilligers nog volop bezig met de voorbereidingen. In de kleine zaal zetten ze de stoelen klaar, snijden ze het stokbrood en wordt de soep warm gehouden. ‘Mama’ Marie staat achter de grote soeppot. Een kranige Congolese dame op leeftijd. Normaal staat ze hier elke dag  met haar vriendinnen, maar vandaag konden ze niet meekomen. De dames staan hier beter bekend als ‘Les Mamans’, en delen al soep uit sinds het prille begin. Alle asielzoekers krijgen van mama Marie een lekkere tas soep, gemaakt door het sociaal restaurant De Harmonie, een stuk brood en koffie of thee. Ondertussen gaan de andere vrijwilligers de tafels af, en geven de asielzoekers de nodige informatie over de asielprocedure en het recht op opvang.

Het Soeppunt zoals Vluchtelingenwerk Vlaanderen dat vandaag organiseert, bestaat dikke vijf jaar. Vroeger hielpen de buurtbewoners de asielzoekers. Al van 1999 werkten de Afrikaanse ‘mamans’ samen met de Parochie Sint-Rochus. Later werd hun initiatief overgenomen door de Meeting (‘Le Noveau Monde’). Tot einde 2008. Op 22 juni 2008 nam Vluchtelingenwerk dit initiatief over en werd het Soeppunt officieel geopend in de cafetaria van de Pole Nôrd. Een maand later was het gedaan met de cafetaria en vonden ze niet meteen een ander lokaal. Gelukkig bood de Sint-Rochus kerk haar hulp aan. Pastoor Hugo van Sint-Rochus heeft een groot hart voor de ‘zwakkeren’ in onze samenleving. Op de terugweg van het Soeppunt stootte ik nog op hem. ‘Maandag stonden de mensen tot buiten te wachten in de file,’ zuchtte hij. ‘Het leek wel tweehonderd man.’ Vanaf 2010 vond het Soeppunt onderdak in het gebouw van Habitat en Humanisme. Het adres Antwerpsesteenweg 34 is ondertussen een begrip geworden.

Ik kan mij dat niet goed voorstellen, maar inderdaad iets na twaalf uur stapt de eerste vluchteling het Soeppunt binnen. Hij gaat alleen zitten en kijkt verweesd voor zich uit. Zijn blik staat op oneindig. Aan wat zit die man nu te denken, vraag ik mij af? Het wordt plots drukker. Het volk stroomt met tientallen tegelijk binnen. Mensen schuiven geduldig aan. Sommigen doen gezellig een praatje met elkaar, anderen kijken heel druk en bezorgd. Voor ik het weet is het zaaltje helemaal gevuld, vol met mensen van alle kleuren en origine. Hier en daar zitten ook families met wel heel jonge kinderen. Wat zijn de verhalen van al deze mensen? Hoe komen ze hier? Veel asielzoekers komen in een onzekere situatie terecht. De meesten worden door mensensmokkelaars gedropt in Brussel zonder te weten waar ze precies zijn. Ze hebben geen geld en kennen geen Nederlands, Frans of Engels.

‘De asielprocedure begint in het gebouw van de Dienst Vreemdelingenzaken,’ vertelt Valerie Trachez. Zij is coördinator van Soeppunt. ‘Daar nemen ze vingerafdrukken en een röntgenfoto van de longen om na te gaan of de asielzoeker niet besmet is met tuberculose.’ Dat duurt de hele voormiddag tot de ambtenaren op middagpauze gaan. Dan moeten de asielzoekers het gebouw verlaten. Op dat moment pikken een aantal vrijwilligers de asielzoekers op en komen ze samen naar het Soeppunt. Heel veel van de vrijwilligers hebben zelf een migratieachtergrond. ‘Heel handig, want zij spreken vaak talen die wij niet kunnen,’ aldus Valerie. Sommige vrijwilligers wonen in de buurt. Nog anderen werken vlakbij en komen helpen tijdens hun lunchpauze. Eén van hen is Erwin. Erwin werkt bij het Vlaams Ministerie van Onderwijs. Elke week probeert hij een aantal keren langs te komen. ‘De laatste weken is het hier enorm druk, zegt hij. ‘Normaal is het vrijdag vrij kalm. Maar kijk eens toch hoe vol de zaal zit.’ Een andere vrijwilliger is Mohammed. Deze Somaliër van twintig woont nu ongeveer achttien maanden in België. Zijn ouders verblijven momenteel in Engeland. Hij was zelf ooit een asielzoeker, maar is nu een erkend vluchteling. ‘Ik probeer te komen wanneer ik kan’, vertelt hij in het Nederlands. ‘Ik kan ook nog Somalisch, Frans, Engels, Arabisch en Swahili. Die laatste taal heb ik geleerd in Kenia waar ik verbleef voor ik naar België kwam. Elke keer neemt Mohammed de trein vanuit Turnhout. ‘Een uurtje. Als ze tenminste geen vertraging heeft, lacht hij.

Gemiddeld komen zo’n tachtig vluchtelingen per dag over de vloer. Ze komen overal vandaan, maar de meeste uit Afghanistan, Rusland en de Balkan. Momenteel zijn er veel Eritreeërs. Eens de soep binnen is, haasten de asielzoekers zich terug naar de Dienst Vreemdelingenzaken. Daar wacht hen een interview en stuurt Fedasil ze naar een opvangcentrum waar ze normaal gezien gedurende de hele asielprocedure verblijven. Tegen dertien uur is de zaal helemaal leeg. Ik sta met een handdoek nog wat soepkommen af te drogen en denk aan volgende week. Maandag om twaalf uur gaan de deuren van het Soeppunt weer open. Een volgende rij mensen schuift opnieuw aan voor een tas soep.