Gezocht: bescherming. Gevonden: een Europees detentiekamp.

Een beeldschoon jongetje met donkere krullen loopt de trappen af van een witgekalkt huis naar een zonnig stukje strand. Hij lacht en speelt bij het felblauwe water. Een idyllisch plaatje. Maar het Griekenland waar ik terechtkom is niet de plek die het reclamefilmpje van de luchtvaartmaatschappij me voorspiegelt.

Op weg naar Lesvos, in de luchthaven, in de bus, in een café, ontmoet ik werkers met het herkenbare logo van Artsen Zonder Grenzen. Ik ben dit beeld gewend. Ik ken het van in brandhaarden en rampgebieden, in Afrika, in Azië. Maar dit is Europa. Welke mogelijk onbeheersbare ramp heeft ons overvallen, zodat de lidstaten van de unie, één van de meest welvarende regio’s ter wereld, de situatie niet aankunnen en er langdurig humanitaire hulp moet worden opgezet?

Wat ons heeft overvallen is dit: Een bijzonder klein aandeel van het aantal mensen dat wereldwijd hun thuis ontvlucht is voor geweld, terreur, oorlog of ongelijkheid, zoekt in hun wanhoop de veiligheid van Europa op. Artsen Zonder Grenzen en andere hulpverleners schieten hier mensen ter hulp, niet omwille van overmacht of onbeheersbaarheid, maar omwille van de aanhoudende politieke onwil van Europa om de situatie zelf op een menswaardige manier te organiseren. En daarom kijk ik, naast hippe Griekse jongedames en toeristen op teenslippers, ook naar noodhulpverleners in terreinoutfit in de metro van een Europese hoofdstad.

De situatie van alle nieuwkomers in Griekenland, alle 51 000, is op z’n minst problematisch en in te veel gevallen ronduit schrijnend. De grenzen zijn dicht. Ze zitten vast in een land dat hun asielaanvraag niet, pas na lange tijd, of niet correct behandelt, en dat hen geen degelijke opvang biedt. Vanop mijn dak in het gehucht Moria op Lesbos zie ik oostwaarts de Turkse zee, die vluchtelingen trotseerden en achter zich lieten. In het westen zie ik de gevangenis waar elk van hen sinds 20 maart systematisch wordt opgesloten: ouders, jongeren, kinderen en baby’s. Het geluid van de luidsprekers in het kamp overbrugt de kilometer vogelvlucht gemakkelijk. Ik hoor regelmatig belsignalen door de luidsprekers en een stem die in het Arabisch mensen afroept om zich naar ruimte zus of zo te begeven. Holocaust-overlever Elie Wiesel bedoelde het figuurlijk, toen hij zei: “Vluchtelingen zitten gevangen tussen een land waar ze niet meer kunnen leven en een land waar ze niet mogen leven.”. Vandaag op Lesvos, zet Europa dit soort gevangenschap letterlijk om in de praktijk.

In Moria zitten vandaag om en bij de drieduizend mensen opgesloten. De officiële capaciteit van het centrum zou tweeduizend zijn. Capaciteit is er duidelijk een rekbaar begrip: De kampen draaien met een minimum aan personeel, de mensen slapen er met velen, mannen, vrouwen en kinderen samen in kleine grijze containerwoningen. “Wij slapen met 40 in zo’n kamer,” vertelt de Syrische R. me door het hek. Met die “wij” bedoelt hij zichzelf, zijn vrouw en hun vier vier tieners. “‘s Nachts is er veel lawaai. Gehoest. Geroep. Maar vooral gehuil.” Het kamp ziet er grimmig uit. Alles is er grijs. Niets steekt harder af tegen de levendige warme kleuren van dit vakantie-eiland in de lente: blauwe lucht, blauwe zee, groene heuvels, en daar middenin een lap grijze stenen ondergrond, grijze hekken, met daarbovenop grijze prikkeldraad en grijze wooncontainers met nog wat tenten ernaast. Mistroostig is een understatement.

De verveling en het wachten zijn duidelijk zwaar om te dragen. Niet in het minst voor de mensen, veel alleenstaande mama’s of papa’s, die er met hun jonge kinderen verblijven. Er is letterlijk niets wat het wachten doorbreekt, behalve slapen en eten. Ik passeer een groepje mensen bij de tralies, en zie tussen hun benen enkele kleuters staan. Ze steken hun handjes door de tralies, en doen wat alle kinderen altijd en overal doen: Ze bestoken mij met een salvo giechelende “hello’s”. Ik ben onwennig, glimlach terug en tik hun handen. Ik weet dat ik hun ouders op dat moment beter niet in de ogen kijk als ik mijn serene houding niet wil verliezen. Hotspots zoals die in Moria zouden op papier de aanmeldpunten van Europa worden, waar vluchtelingen accuraat worden geregistreerd. Na die registratie zou er een degelijk onderzoek volgen naar hun nood aan bescherming en ook eventuele spreiding over Europese lidstaten. De realiteit van vandaag toont waar mensenrechtenorganisaties voor vreesden: de Griekse hotspots zijn gevangenissen geworden.

De eerste woorden die mensen te horen krijgen bij aankomst: een bewaker die rechten voorleest. Die opsomming begint met “You have been legally arrested.” Zieke mensen worden onder politiebegeleiding naar een medische post gebracht. Er is te weinig water, het eten is eentonig de medische hulppost is te beperkt.. De omstandigheden zijn mensonwaardig. MSF, UNHCR, het Griekse Praksis, … alle hulporganisaties hebben hun dienstverlening formeel teruggetrokken. Zij willen niet meewerken aan deze opsluiting om zich niet te laten inzetten voor een onrechtvaardige en onmenselijke behandeling van kwetsbare mensen. Maar die beslissing weegt zwaar. De noden zijn immers talrijk en de autoriteiten pakken die absoluut onvoldoende aan.

Ik praat met de mensen doorheen de tralies, ook al wordt dat een steeds grotere uitdaging. De bewakers zijn niet gesteld op de aanwezigheid van waarnemers. Eerst worden we gevraagd om de mensen niet de hand te schudden of aan te raken. Vervolgens moet ik ook de fotogalerij op mijn telefoon onder toeziend oog wissen. Na enkele bezoekjes krijgen we ook nog een spreekverbod. De regels zijn absurd, en vooral nergens officieel gesteld. “You can walk here, but not talk.” zegt de ene bewaker. De andere stelt “Talk, yes, 10 minutes, then go”.

Nog erger dan de ongemakken van deze behandeling is de vrees dat mensen geen rechtvaardig onderzoek naar hun nood aan bescherming zullen krijgen, met afwijzing en gedwongen terugkeer tot gevolg. Die vrees is terecht. Tot op vandaag heeft Griekenland nauwelijks een functionerend asielsysteem. De Europese werkkrachten die de Griekse autoriteiten zullen bijstaan om “snelle” asielonderzoeken te voeren, zouden volgens de planning donderdag in Moria aankomen. Tot nu toe zitten sommige mensen dus al vijftien dagen in opsluiting, zonder info, zonder procedure, zonder juridische hulp. “Er is geen transparantie, geen informatie en geen monitoring van de mensenrechten," zegt een activiste me. "Alle informatie bevestigt de vermoedens dat mensen geen toegang kregen tot hun recht op asiel en tot juridische bijstand.” Niemand hier ziet het kamp in Moria vandaag als de schakel in een rechtvaardig en menswaardig Europees asielsysteem.

Wat meer is, een nieuwe wet, speciaal voor de gelegenheid van de EU-Turkije deal nog gestemd op 1 april, stelt dat de Griekse overheid in het asielonderzoek niet concreet moet nagaan of de mensen wel daadwerkelijk een veilig bestaan kunnen leiden in het eerste land dat ze doorreisden. Het feit dat Turkije een papieren garantie biedt dat mensen er veilig zullen zijn, volstaat. De realiteit doet er blijkbaar niet toe. De tegenstelling tussen de papieren garanties en de werkelijke situatie van bijvoorbeeld Syriërs in Turkije is intussen maar al te duidelijk. Ter vergelijking: ons land, dat een correct asielonderzoek voert, verleent bescherming aan om en bij de 98% van de Syriërs. Dat zal heel anders zijn voor de mensen over wiens nood aan bescherming Griekenland nu beslist, met het oog op een wachtende ferry in de haven. Ik praat nog snel even met R. doorheen de tralies. Eigenlijk heeft hij zoals alle anderen maar één vraag: “Wat staat er met ons te gebeuren?” Hij vertelt hoe een gezin uit zijn straat een tijd geleden vluchtte en nu in Duitsland in veiligheid is. Maar dat hij in Syrië bleef tot het echt niet meer ging. Hij geloofde lang dat vluchten niet zou nodig zijn. In de stilte na zijn vraag horen R. en ik allebei zijn onuitgesproken gedachte: “Wat is hier en nu nog mijn kans op bescherming? Ligt na gisteren ook een ferryplaats voor mijn gezin klaar?” “In Turkey, my family cannot live,” verzekert hij me. Ik luister en stel geen verdere vragen. Want antwoorden heb ik niet.