|
|
|
|
ARCHIEF
|
VluchtelingenverhalenTsjetsjenië Het verhaal van Malika
De wereldpers heeft beide drama’s uitvoerig verslaan. De schokkende beelden zijn massaal de wereld ingestuurd. Elke eerste september zal Beslan de jonge slachtoffertjes voor het oog van de camera herdenken. Niemand zal ooit begrijpen hoe gijzelnemers tot zulke wreedheden in staat zijn. Of toch? “Beslan is niets in vergelijking met wat ik in Tsjetsjenië heb gezien, zegt Malika. Maar de media zijn niet in Tsjetsjenië. Die vuile oorlog ziet niemand. De voortdurende angst om te sterven, de stress en de spanning als je opnieuw moet schuilen in een koude kelder, het tekort aan eten en drinken, de knagende onrust. Zo leven Tsjetsjenen elke dag, nog altijd. Ik geloof dat die Tsjetsjeense zelfmoordactivisten de buitenwereld wilden tonen in welke omstandigheden het Tsjetsjeense volk al jaren leeft. Het zijn vaak mensen die machteloos hebben toegekeken hoe hun ouders, broers, zussen, kinderen ontvoerd of vermoord werden. Op dezelfde manier terugslaan is hun enige verweer.” Het klopt dat de Kaukasische deelrepubliek Tsjetsjenië al jaren verboden terrein is voor camera’s en journalisten. Beelden zijn er nauwelijks. Toch is Tsjetsjenië – op een korte tussenpauze na - al 12 jaar het toneel van meedogenloos geweld. Het begon in 1994 toen de opstandige republiek zich wilde afscheuren van Rusland. Maar Tsjetsjenië en vooral zijn olie is veel te belangrijk voor de Russische president. Zijn leger schoot de hoofdstad Grozny in puin. Twaalf jaar later ligt de stad er nog altijd bij als een ruïne. Dorpen zijn platgebombardeerd. Mensen zijn zonder reden ontvoerd, gegijzeld, mishandeld, vermoord. Malika was 17 toen Russische soldaten Tsjetsjenië binnenvielen. Wij moesten ons, soms 2 weken lang, schuilhouden in de kelder van ons huis met nauwelijks iets te eten of te drinken. Mijn vader wilde niet dat we naar buiten gingen. Het risico om verkracht of ontvoerd te worden is groot. In onze straat zijn bijna alle jongeren vermoord of verdwenen. De beginjaren van de oorlog waren nog relatief leefbaar. In 1995 ben ik economie gaan studeren aan het Pedagogisch Instituut in Grozny. In de namiddag gaf ik wiskunde aan 13- en 14-jarigen. Maar vanaf 1999 ging het er hard aan toe. Lesgeven was niet langer mogelijk.” Malika woonde met haar familie in Kotar-Yurt, een dorp in de buurt van Grozny. Ook zij heeft zomaar zonder aanwijsbare reden een broer verloren. “Op een dag verdween mijn oudste broer. Dorpsgenoten vertelden ons dat Russische soldaten hem hadden meegenomen. Later heeft een Mullah (islamitische geestelijke) uit een naburig dorp een graf ontdekt met daarin 28 lijken van jonge mannen. Het gezicht van mijn broer was onherkenbaar verminkt, maar de Mullah vond zijn paspoort in het borstzakje van zijn hemd. Wij weten nu dat hij dood is maar veel mensen weten niet wat er met hun kinderen is gebeurd.(lange stilte) “Ik heb lijken gezien met uitgesneden ogen, afgekapte ledematen, afgesneden oren, ook bij kleine kinderen. Zelfs dieren werden verminkt. In 2000 werd Kotar-Yurt zwaar gebombardeerd. Malika vluchtte met haar man, haar 2 dochtertjes en haar schoonmoeder naar een naburig dorp. Haar schoonvader besloot om thuis te blijven. Onderweg werd de familie tegengehouden door Russische soldaten: Samen met andere Tsjetsjenen sloten de soldaten ons op in de kelder van een huis, zonder eten of drinken. Tijdens de confrontatie met Tsjetsjeense soldaten gebruikten ze ons als levend schild. Ik heb in de kelder een doodziek jongetje zien sterven. Zijn lijkje heeft al die tijd naast me gelegen. Uiteindelijk hebben ze ons laten gaan. Ons dorp bleek volledig platgebrand, het was één afgebrande smeulende vlakte. Mijn schoonvader was spoorloos, we hebben hem nooit teruggezien.” Het leven in de dorpen is zeker zo hard als in het vernielde Grozny:“Door de oorlog was de toevoer van gas en water in de dorpen afgesneden. Om ons tijdens de koude winters te verwarmen waren wij aangewezen op hout uit de bossen. Russische soldaten verstopten er landmijnen. Veel mannen en jongens zijn bij het houthakken op zo’n landmijn getrapt waardoor ze één of beide benen verloren hebben. Wij konden ons niet langer verwarmen en besloten naar Grozny te gaan want daar was wel gas. Aanvankelijk leefden we in een tent. Later heeft mijn vader eigenhandig een klein huisje gebouwd. Hij leeft daar nu nog, samen met mijn moeder, mijn jongste broer en zusje” Nadat haar man tot 2 keer toe door Russische soldaten was meegenomen en mishandeld, besliste Malika om met haar gezin te vluchten. “De Russen zoeken Tsjetsjeense bondgenoten. Voor de oorlog werkte mijn man bij de politie. Ze dachten dat ze hem tot samenwerking konden dwingen maar mijn man bleef weigeren. Ik heb betaald om hem vrij te krijgen. Daarna zijn we naar Polen gevlucht. In Polen hield de grenspolitie ons tegen. Ze namen onze afdrukken van onze vingers en brachten ons naar een opvangcentrum waar we 2 weken zijn gebleven. In augustus 2003, 2 maanden nadat we Tsjetsjenië hadden verlaten, zijn we België binnengekomen.” Na een eerste interview op het Commissariaat Generaal voor de Vluchtelingen in Brussel, kreeg de familie een positieve beslissing. Maar volgens de asielinstanties heeft het gezin één cruciale fout begaan. “Op aanraden van andere Tsjetsjenen zwegen we over ons verblijf in Polen, uit schrik om teruggestuurd te worden. Door die ene misstap is alles misgelopen. Het Commissariaat Generaal bleek op de hoogte van ons verblijf in Polen en wees onze asielaanvraag af. Ook in beroep, bij de Vaste Beroepscommissie voor Vluchtelingen konden we daardoor op weinig begrip rekenen. De familie werd in maart vorig jaar afgewezen door de Beroepscommissie. Een maand later, in april, vertrekt een Belgische missie naar het noorden van de Kaukasus. Onder de deelnemers is ook Serge Bodart, voorzitter van de Vaste Beroepscommissie voor Vluchtelingen. In een uitgebreid verslag noteert hij zijn bevindingen: “Ik vind dat men dat moet gezien hebben om zich een beeld te kunnen vormen van wat wanhoop is, de afwezigheid van hoop. We hebben daar mensen ontmoet die alles hebben verloren: hun naasten, hun huis, hun houvast en hun levensvreugde…Ze leven sinds jaren in miserabele omstandigheden, ze hebben geen enkel perspectief op verbetering en het ergste is in hun ogen te zien dat ze begrepen hebben dat niemand hen zal komen helpen, dat hun wanhoop de buitenwereld koud laat.” Vervolgens omschrijft hij de actuele mensenrechtenschendingen in Tsjetsjenië: “Momenteel maken de ontvoeringen en verdwijningen de belangrijkste onveiligheidfactoren uit in Tsjetsjenië. De daders hiervan zijn meestal “gemaskerde mannen, gewapend en ‘half’ in militaire outfit”, het zou kunnen gaan om federale troepen, Tsjetsjeense milities of nog anderen…De ontvoeringen gaan gepaard met detentie en folteringen en een groot deel van de ontvoerde personen wordt nooit teruggevonden.” De confrontatie met de werkelijkheid heeft ertoe geleid dat deze “asielmagistraat” de volgende beschouwing maakt: Wat willen we exact weten? Of de mensen zich op een coherente manier uitdrukken? Of ze ons de gehele waarheid vertellen? Of ze een aanvraag ingediend hebben in een ander land? Al deze vragen zijn uiteraard pertinent. Maar ze mogen niet de enige vraag verbloemen die uiteindelijk onze beslissing moet bepalen: heeft de asielzoeker een gegronde vrees vervolgd te worden? In het kader van de Tsjetsjeense dossiers hebben we ons vrij snel gerealiseerd dat die vraag soms vergeten werd.”(...) De wil om zich vast te klampen aan regels of technieken die de realiteit uit het oog verliezen bij het behandelen van asielaanvragen, hebben het doel van de asielprocedure doen vergeten: bescherming geven aan mensen in gevaar. Auteur: Gonnie Put |
Website Vluchtelingenwerk Vlaanderen (www.vluchtelingenwerk.be)
In het najaar van 2002 houden Tsjetsjeense rebellen in een Moskous theater zo’n 800 bezoekers en een voltallig muziekgezelschap bijna 3 dagen lang gegijzeld. Camera’s registreren een ‘onhandige’ bevrijdingsactie van het Russische leger waarbij alle rebellen en meer dan 100 theaterbezoekers omkomen. Amper 2 jaar later is de hele wereld opnieuw in de ban van een Russisch gijzelingsdrama, nog omvangrijker en gruwelijker dan het eerste. Dit keer is het doelwit een schooltje in de stad Beslan in de deelrepubliek Noord-Ossetië. Zeker 1.000 doodsbange kinderen en volwassenen zitten meer dan 2 dagen opeengepakt in een veel te warme turnzaal, omsingeld door levende Tsjetsjeense tijdbommen. De gijzeling eindigt opnieuw dramatisch met meer dan 300 doden. Wat bijblijft, zijn de beelden van vluchtende halfnaakte kinderen in vuil ondergoed en van ontredderde familieleden die het levenloze lichaam van een dierbare tegen zich aandrukken.