|
|
|
|
ARCHIEF
|
VluchtelingenverhalenLiberia Het verhaal van Fatu
Ze woont in een net en zonnig appartement in Tienen. De sofa ligt bezaaid met kussens, eentje in de vorm van een hart: ‘I love you’ staat in grote gekrulde letters op het rode fluweel geschreven. Niets in het kleine appartement doet denken aan Afrika. Op de gekleurde sjaal in haar weelderige haardos na ziet Fatu er zelf ook hip westers uit: “Ik woon hier graag, zegt ze opgewekt. “Eerst verbleef ik in Brussel, maar hier in Tienen is het een stuk rustiger”. We praten wat over de stad, over haar Nederlandse lessen en zelfs over sport. Meermaals schiet ze in een aanstekelijke lach. “Van nature ben ik opgewekt. Dat is mijn geluk want zo leg je snel contacten. Als ik op de bus iemand in zijn jas zie wegduiken begin ik te praten en meestal krijg je een leuk gesprek.” We weten allebei dat ik ben gekomen om over haar geboorteland te praten. Liberia. Haar gezicht trekt donker weg als ik erover begin. ‘Ik ben veel vergeten’, zegt ze verontschuldigend. ‘Ik ben bang dat ik je niet genoeg kan vertellen’. Een klassiek antwoord van mensen die het onmenselijke hebben meegemaakt want het gebeuren herbeleven is vaak even ondraaglijk als de werkelijkheid zelf. Terwijl ze koffie zet, vertelt ze me dat haar verblijf sinds vorige maand in orde is. Elke dag, 6 jaar lang, heeft ze op dat nieuws gewacht. Fatu was 24 toen ze ontsnapte uit de hel van Liberia en naar België vluchtte. Op het ogenblik dat ze ons land om bescherming vroeg, werden duizenden anderen in het West-Afrikaanse land afgeslacht, ontvoerd, verminkt, brutaal verkracht. Officieel is Fatu nooit als vluchteling erkend maar ze is ook nooit afgewezen. In al die jaren heeft ze bij asielinstanties een reeks zware interviews ondergaan zonder ooit een definitieve beslissing te krijgen. Het is als een rechtszaak zonder uitspraak, een examen zonder resultaat, werken zonder beloning.“Everything is better than a gun at your head” zegt ze laconiek als ik vraag hoe ze dat ‘tevergeefs wachten’ heeft ervaren. Ze had er vertrouwen in dat alles in orde zou komen. Dat laatste lijkt logisch, want wie het oorlogsverleden van Liberia een beetje kent, zou niet durven te beweren dat Liberianen geen vluchtelingen zijn. Toch heeft ons land altijd verveeld gezeten met oorlogsvluchtelingen. Het aanzuigeffect, weet je wel. De krampachtige angst voor de plotse toevloed en de ijdele hoop dat de situatie in het oorlogsgebied snel zou verbeteren hebben tot pervers gevolg dat oorlogsvluchtelingen niet als zodanig erkend worden. Ook Fatu’s dossier lag jarenlang onbeslist in het bureau van één of andere ambtenaar. Na 4 jaar was ze hier lang genoeg om een regularisatie aan te vragen. Die procedure duurde nog eens 2 jaar. Onlangs, na 6 jaar, kreeg ze een verblijfskaart voor een jaar, niet als ‘oorlogsvluchtelinge’ maar als ‘geregulariseerde’. De overheid omschrijft zoiets als “een geste” in ruil voor het lange wachten. In Liberia is het ooit anders geweest. Bij zijn oprichting in 1821 deed de naam het land eer aan. Liberia was gesticht voor vrijgelaten slaven uit de VS. Met rijke bodemschatten als rubber, goud, diamant en timmerhout had het zijn volk veel te bieden. Maar in Afrika gelden andere regels: hoe meer natuurlijke rijkdommen, hoe armer de bevolking. Ook Liberia is door gulzige machthebbers uitgeperst. De grote spilfiguur is de onlangs gearresteerde Charles Taylor, ex-dominee, ex-rebellenleider en oud-president van Liberia. Hij zal zich eerdaags voor een strafrechtelijk VN-tribunaal in Sierra Leone of in Den Haag moeten verantwoorden voor een waslijst aan misdaden tegen de menselijkheid. Fatu heeft het nieuws over de uitlevering van Taylor van een vriendin vernomen. “Zij had het op televisie gehoord en was erg geschrokken van de archiefbeelden. Ze was verontwaardigd dat ik er nooit iets over heb verteld. Zij is van Kosovo en ze spreekt er geregeld over”. Fatu probeert het uit te leggen: “Als je ergens zielsveel van houdt en je verliest het, dan wil je er niks meer mee te maken hebben omdat het te veel pijn doet. “ En plots is daar die behoefte om het in het Engels te zeggen: “I hate talking about Liberia, because I love it so much. You understand”? Spontaan vertelt ze over haar jeugd en over haar vader: Mijn vader was diamanthandelaar. Hij had een kreek waarin hij en zijn werknemers diamant en goud zochten. Ik herinner mij de kleine blinkende steentjes in de palm van zijn hand. I was really happy there! Liberia is really beautiful. De rebellen hebben alles afgepakt. Ik kon me niet voorstellen dat mijn vader het zou redden zonder werk maar hij zei tegen ons: we leven nog, dat is het belangrijkste, jullie zijn mijn goud en diamanten. Die woorden zal ik nooit vergeten.” Fatu was 17 en getuige van de brutale moord op haar moeder: “Ik heb haar moeten achterlaten. Ik ben over haar lijk gesprongen om te ontsnappen. Plotseling diept ze uit het niets een zwart-wit foto op, of liever, een kopie ervan. Ik zie de beeltenis van een jong, knap koppel. Mijn ouders, zegt ze, een vriend in Amerika heeft die foto altijd bewaard en mij per post bezorgd. Fatu lijkt als 2 druppels water op de vrouw van de foto. Ik kijk er haast nooit naar omdat ik telkens het beeld van mijn moeder zie, zoals ik haar dood op de grond heb achtergelaten.” Ik zeg haar dat ik het moedig vind dat ze me de foto toont. “Stilaan begin ik weer te luisteren naar berichten uit Liberia”. De fragiele vrede, de nieuwe presidente. Ik hoop en bid dat het er rustig blijft. Ik heb zo’n heimwee. Ze slikt een paar keer: “I miss home”. En dan toch die tranen. “Ik zweer je, als deze vrede 2, 3 jaar aanhoudt, dan keer ik definitief terug. Ik ga naar huis. Ik wil graag de mensen ginder, de weeskinderen helpen. Wij Liberianen moeten samen ons land weer opbouwen.” Het frustreert me dat de vrede zo pril en onzeker is en dat het land opnieuw ten prooi kan vallen aan plunderende rebellen. Ik hoop dat ik nu, met mijn verblijfskaart, kan reizen. Ik wil met mijn eigen ogen zien hoe de situatie is. Mijn vader is in Guinee erkend als vluchteling en hij is onlangs in Liberia geweest. Ook hij wil er – als het enigszins kan - opnieuw beginnen. Weet je dat ik mijn vader 7 jaar niet heb gezien? Ze wijst naar een kartonnen doos die in het midden van de kamer staat. “Die zit vol met kleren en schoenen. Ik ben alles aan het verzamelen om mee te nemen. Soms zit ik in mijn zetel en denk ik: Wat doe ik hier in godsnaam? Liberia verlaten was geen keuze maar een noodzaak. Ik had een droom daar. Ik ging naar school, ik wilde naar de universiteit. Ik wilde met mijn leven iets groots doen. De oorlog heeft die droom in een klap weggevaagd. Al die verloren jaren. Ik ben intussen 30, weet je. Hier werk vinden is aartsmoeilijk. Ik heb het al zo vaak geprobeerd. “ Zoals bij veel vluchtelingen, ligt Fatu’s hart in haar geboorteland. De angst voor een nieuwe oorlog is niet onrealistisch. Het land likt zijn wonden en het zijn er onnoemelijk veel. De jong volwassenen van nu, zijn de kindsoldaten van toen. Twee op de drie vrouwen en meisjes leven met de herinnering aan brute verkrachtingen. Door de straten loopt altijd wel iemand wiens lichaam is verminkt. Veel daders zijn op vrije voeten. Fatu’s gsm rinkelt. Haar vriendin uit Kosovo, gebaart ze. Vanuit mijn knusse sofa hoor ik haar opgewonden praten. Ik realiseer me dat dit redelijk uniek is: In hartje Tienen praat een jonge Liberiaanse met een jonge Kosovaarse in vlekkeloos Vlaams. Ik kan me Fatu moeiteloos voorstellen in het land dat ze zo heeft gemist. Ze leert er jonge kinderen wat Vlaamse woordjes en vertelt hen telkens opnieuw dat er niets op de wereld zo mooi is als Liberia, als hun land, zonder oorlog. Auteur: Gonnie Put |

Zes jaar geleden ontsnapte de 24-jarige Fatu uit de hel van Liberia.
Ze kwam in ons land terecht. Terwijl ze hier om bescherming vroeg, werden
duizenden anderen in het West-Afrikaanse land afgeslacht, ontvoerd, verminkt,
brutaal verkracht. Officieel is Fatu nooit als vluchteling erkend maar
ze is ook nooit afgewezen. Ze onderging meerdere zware interviews zonder
enig resultaat.